De
verschillende godsdiensten hebben vanuit hun opvatting over leven en
dood de plechtigheden rond het overlijden en de uitvaart vrij
nauwkeurig vastgelegd. Voor mensen die geloven zullen deze
voorschriften in meer of mindere mate de rituelen en handelingen aan
het sterfbed en bij de uitvaart bepalen.
Hoe meer het geloof je dagelijks leven beïnvloedt, des te
vanzelfsprekender is het dat je je bij een uitvaart door je geloof laat
leiden. Bij joden, moslims en hindoes kun je spreken van uitgebreide
rituelen die volgens vaste voorschriften moeten worden uitgevoerd. Als
individu voeg je je naar die voorschriften. Je houdt je aan de regels
die de geestelijke bewaakt. Of zoals een joodse koster zegt: "je kunt
niet een `beetje` joods begraven worden, je kiest voor een joodse
uitvaart of niet". In de praktijk speelt het geloof voor veel
katholieken en protestant-christelijken in Nederland een minder sterke
rol in het dagelijks leven. De keuze voor een religieuze plechtigheid
bij de uitvaart is dan meer een individuele keuze, waarbij mensen aan
bestaande rituelen een persoonlijke invulling willen geven. Ook
humanisten die vanuit hun levensovertuiging het belang van het
aanvaarden van de dood benadrukken, kiezen voor een eigen vormgeving
van afscheid en uitvaart. Deze tekst is gebaseerd op het hoofdstuk
`Religieuze en levensbeschouwelijke plechtigheden` uit Gids voor de
uitvaart, een Yarden Uitgave
Katholieken

Hieronder
vindt u een beschrijving van de belangrijkste gebruiken en rituelen bij
een katholieke uitvaart. Vanzelfsprekend zijn (regionale) afwijkingen
mogelijk van de manier waarop hieronder een katholieke uitvaart wordt
beschreven.
Sacramenten
In
de katholieke kerk spelen sacramenten een belangrijke rol. Sacramenten
zijn rituele tekenen waarin de gelovige de nabijheid van God wil
ervaren. Mensen in levensgevaar krijgen het Heilig Oliesel, of zoals
men tegenwoordig liever zegt: de ziekenzalving.
Hemel, hel en vagevuur
Katholieken
geloven dat de ziel van de overledene na de dood voortbestaat in het
hiernamaals. Traditioneel bestaat het beeld van hemel, hel en vagevuur.
Waar de ziel na de dood terechtkomt, is afhankelijk van de mate waarin
iemand tijdens zijn leven heeft gezondigd en daarvoor vergeving heeft
gekregen. Daarom bidden de nabestaanden voor de zielerust van de
overledene.
Begrafenis of crematie ?
De
priester of pastor speelt een belangrijke rol bij de voorbereiding van
de begrafenis of crematie. Als de overledene gecremeerd wil worden, is
daar sinds de jaren zestig vanuit de katholieke kerk geen bezwaar meer
tegen. Aan de crematie zal meestal een eucharistieviering of een woord-
en gebedsdienst in de parochiekerk voorafgaan.
Door het grote priestertekort van tegenwoordig heeft lang niet iedere
geestelijke tijd om na de mis mee te gaan naar het crematorium. De
laatste plechtigheden worden dan aan de uitvaartverzorger overgelaten.
Eventueel wordt de woord- en gebedsdienst in de aula van het
crematorium gehouden, wanneer de nabestaanden daar prijs op stellen.
Een eucharistieviering wordt bij voorkeur in de kerk gehouden.
De voorbereiding
Traditioneel
is de uitvaartmis vastgelegd in de zogeheten requiemmis, gericht op de
reiniging en de rust van de ziel van de overledene.
Slechts bij de dood van jonge kinderen werd daarvan afgeweken. Dan werd
er een `engelenmis` opgedragen waarbij werd uitgegaan van de reinheid
van de kinderziel die naar de hemel zou gaan.
Tegenwoordig zoekt de pastor vaak samen met de directe nabestaanden
teksten en liederen uit die naar voren worden gebracht bij de
verschillende religieuze bijeenkomsten die zullen volgen.
De avondwake
De
traditie om tot het tijdstip van de uitvaart bij de dode te waken is
geen gemeengoed meer. Als iemand thuis overlijdt en wordt opgebaard
gebeurt dat soms nog wel. Meestal echter wordt op de avond voor de
begrafenis in de kerk of de aula van een verpleeg- of bejaardenhuis een
avondwake gehouden. Daarbij wordt de levensloop van de overledene
gememoreerd en wordt voor hem en de nabestaanden gebeden. Ook wordt om
vergeving van schuld gevraagd en worden teksten gelezen en liederen
gezongen.
De aanwezigheid van veel vrienden en bekenden bereidt de nabestaanden
mentaal voor op de uitvaart. Na de avondwake is er soms gelegenheid tot
condoleren of het tekenen van een condoléanceregister, maar meestal
stelt men het condoleren uit tot na de uitvaartplechtigheid.
De uitvaartmis
Op
de dag van de uitvaart nemen de directe nabestaanden afscheid van de
overledene en begeleiden de kist vervolgens naar de kerk. Daarbij
worden bloemen op de kist gelegd.
Bij binnenkomst in de kerk komt de priester de stoet tegemoet en
besprenkelt de kist met wijwater. In de kerk branden kaarsen en zingt
het kerkkoor. Tijdens de gebeden worden nogmaals de goede kwaliteiten
van de overledene naar voren gehaald en wordt gebeden voor de
nabestaanden. In de pauze wordt gecollecteerd voor de kosten van
herdenkingsmissen en soms wordt daarbij een bidprentje uitgedeeld. Dat
prentje kunnen mensen als herinnering in hun kerkboek leggen, zodat ze
de overledene later in hun gebeden zullen gedenken.
De uitvaartmis wordt beeindigd met de `absoute`; een ritueel waarbij de
priester de kist met wijwater besprenkelt en bewierookt. Daarbij
spreekt hij gebeden uit waarin om vergiffenis van de zonden wordt
gevraagd. Terwijl het koor zingt, gaan de priester en de misdienaars
als eersten de kerk uit, op weg naar het kerkhof of naar de
begraafplaats; daama volgen de aanwezigen de dragers met de kist.
Buiten beginnen de klokken te luiden, maar verder verloopt de
begrafenis in grote zwijgzaamheid.
Bij het graf
Bij
het graf gaat de priester aan het uiteinde van het graf staan en staat
een lid van de parochie met een kruis aan het hoofdeinde. In stilte
bewierookt en zegent de priester het graf. De nabestaanden en
belangstellenden staan om het graf heen terwijl de dragers de kist
laten dalen. Vervolgens bidt de priester het Onze Vader en strooit hij
een schepje aarde op de kist met de woorden `Gij bent stof en tot stof
zult gij wederkeren. De nabestaanden en andere aanwezigen kunnen
vervolgens ook een schepje aarde op de kist strooien. Als mensen dit te
ver vinden gaan, kunnen ze dit ritueel vervangen door het besprenkelen
van de kist met wijwater of het strooien van bloemen.
Meestal wordt familie en buren gevraagd deel te nemen aan de koffietafel, thuis of in een daarvoor gehuurde zaal.
Op verjaardagen en op de sterfdag wordt vaak een mis opgedragen, waarin
speciaal voor de overledene en andere overleden familieleden wordt
gebeden.
De ziekenzalving
De
Amsterdamse pater Van Kilsdonk gaf dit sacrament van de stervenden op
uitdrukkelijk verzoek aan een jonge man op zijn sterfbed in het
ziekenhuis:
`Vader en moeder, de broertjes en zusjes, enkele vriendinnetjes en
vrienden waren in de ziekenkamer. En terwijl allen geknield lagen of
gezeten waren, en soms de liturgische antwoorden lieten horen: Amen,
Amen, tekende ik eerst het rechter dan het linker ooglid van Herman met
olie: `Door deze zalving mogen jouw ogen nog zuiverder worden om met
eenzelfde ernst en tederheid waarmee jij ieder van ons en nog vele
anderen altijd hebt aangekeken, de Eeuwige te zien`.
`Dan raak ik met olie de beide oorschelpen, eerst rechts dan links, en
zeg: `Door deze zalving mogen jouw oren, die naar zoveel lieve mensen
hebben geluisterd, gespitst worden naar de stem van Christus die jou
roept`.
`Net zo werden heel langzaam en eerbiedig gezalfd de gesloten lippen
van zijn zeer gevoelig gezicht, de twee handpalmen van deze jonge
tennisser, de twee voetzolen. Het is verre van mij om ook maar in de
geringste mate deze rite, deze heel kwetsbare tekentaal te propageren.
Maar wel moet gezegd zijn: waar deze wordt vertrouwd, verstaan en
genoten zoals door de ouders, broers en zusjes, door vrienden van
Herman en bovenal door de jongen zelf, daar, en daar alleen, zijn ze
onvervangbare middelen van communicatie bij het vieren van een zo
smartelijk afscheid, bescheidener, warmer, lijfelijker dan elke alleen
maar gesproken taal.`
(Uit: `Delf mijn gezicht op`, p.201)
Protestant-Christelijken

Hieronder
vindt u een beschrijving van de belangrijkste gebruiken en rituelen bij
een protestant-christelijke uitvaart. Vanzelfsprekend zijn (regionale)
afwijkingen mogelijk van de manier waarop hieronder een
protestant-christelijke uitvaart wordt beschreven.
Begrafenis of crematie ?
Bij
de reformatie werden typisch katholieke uitvaartrituelen zoals de
dodenwake, de lijkredes, de dodenmis, en de handelingen bij de
begrafenis, door de protestanten overboord gezet, omdat ze naar hun
idee voortkwamen uit bijgeloof.
Sinds het begin van deze eeuw zijn mensen in hervormde en gereformeerde
kring er steeds meer van overtuigd geraakt dat er toch een christelijke
vorm van uitvaart zou moeten worden gecre‘erd. Daardoor is het
langzamerhand gebruikelijk geworden dat de uitvaart plaatsvindt vanuit
een kerkdienst. Hoewel er in orthodox-protestantse kring weerstanden
bestaan tegen crematie is nergens in synodale uitspraken vastgelegd dat
cremeren niet is toegestaan.
Ter nagedachtenis van
In
een protestants christelijke uitvaartdienst is niet zozeer sprake van
rituelen, maar staat het noemen van de naam van de overledene centraal.
De naam waarmee de overledene is gedoopt, wordt afgestaan aan God, die
de naam bewaart. Ook de nabestaanden houden die naam in gedachtenis.
Emoties rond het overlijden worden meer door persoonlijke gesprekken
dan door rituelen uitgedrukt.
De uitvaartdienst
In
de uitvaartdienst gaat de predikant vaak in op de hoogte- en
dieptepunten van het leven van de overledene en maakt daarbij gebruik
van bijbelteksten om aan te geven dat het menselijk leven eindig is,
maar dat Christus` werk, ondanks het lijden, voortgaat. Bij het graf of
in het crematorium zegt de voorganger een gebed op om de overledene aan
de aarde toe te vertrouwen. Als de kist is gedaald, wordt het Onze
Vader gebeden en de zegen gegeven. De nabestaanden nemen in stilte
afscheid. Meestal wordt na het condoleren en thuis nog intensief
doorgepraat.
De zondag na de uitvaart
Gewoonlijk
wordt in protestantse kring op de zondag na de uitvaart `de rouw in de
kerk gebracht`. Dat wil zeggen dat de naam van de overledene wordt
genoemd en er soms nog iets over hem wordt gezegd. Vaak wordt ook de
familie genoemd. Op de zondag voor de Advent, de zondag van de
Voleinding, worden alle namen van overleden gemeenteleden nogmaals
genoemd als degenen die zijn voorgegaan op de weg naar Gods Rijk van
vrede.
Rouwbegeleiding
De
laatste jaren is in de protestantse gemeenten een verschuiving te
bespeuren en vragen mensen vaker om een rouwdienst met een persoonlijk
karakter. Het hangt vaak van de dominee af of dat mogelijk is.
Er zijn dominees die zich bewust zijn van hun rol in de psychologische
ondersteuning van mensen en daarom zelf actief voorzetten geven aan
nabestaanden om hen te helpen met de rouwverwerking. Dominees die
betrokken zijn bij stervensbegeleiding en rouwverwerking zien -net als
andere geestelijken of hulpverleners- maar al te vaak dat zowel
stervenden als nabestaanden grote moeite hebben met hun emoties om te
springen.
Met mensen die sterven proberen zij soms te praten over dingen die hen
dwarszitten of waar ze bang voor zijn. Als het nodig is, proberen ze
nog iets voor de stervende te doen of met hem te bidden, zodat hij
enige rust vindt.
Ook proberen sommige dominees de nabestaanden te betrekken bij de
laatste verzorging en de uitvaart. Ze adviseren bijvoorbeeld regelmatig
de overledene thuis op te baren in plaats van het lichaam direct te
laten weghalen door de uitvaartverzorger.
Een persoonlijke invulling van de dienst
In
de protestantse kerken ontbreken dwingende voorschriften voor een
uitvaart. Daardoor is er in principe veel ruimte voor nabestaanden
vaste onderdelen van een dienst als het lezen van de bijbel, het zeggen
van gebeden en het zelf zingen van liederen inhoud te geven.
In 1987 is een handleiding `Liturgie in dagen van Rouw` verschenen
waarin teksten voor een huisdienst, een getijdedienst, een dienst van
Schrift en Tafel en een Woorddienst zijn opgenomen.
Predikanten en gelovigen zoeken tegenwoordig naar nieuwe vormen en
symbolen voor het afscheid. Daarbij kan gedacht worden aan het zelf
kiezen van teksten die tijdens de dienst worden uitgesproken, het
aansteken van een kaars of het openleggen van de bijbel op de kist op
een bepaalde pagina of het maken van persoonlijke gebaren door de
nabestaanden met bloemen.
De reformatie
Luther
keerde zich tegen de aflaat en de dodenmis. Hij verzette zich onder
meer tegen het `naar de hemel bidden` van de overledene vanuit zijn
overtuiging dat gelovigen na hun dood door Christus worden opgenomen,
zonder tussenkomst van de kerk of van heiligen.
In 1619 werd in protestantse kring dan ook besloten geen
lijkpredicaties of lijkdiensten in te stellen. In de Nederlands
Hervormde en Gerefomeerde kerk en de Doopsgezinde Broederschap is de
uitvaart lange tijd een aangelegenheid geweest die niet in een
kerkgebouw plaatsvond. Wel werd van meet af aan door predikanten een
troostwoord gesproken bij de familie thuis of op het kerkhof.
Rouwverwerking
Door
het ontbreken van rituelen in de religieuze zin van het woord wordt de
protestants christelijke uitvaart soms als erg rationeel beschouwd. Een
ervaring:
`De waarheid over de overwonnen dood kan ons op bepaalde momenten wel
eens ontglippen, omdat we er de troost niet altijd automatisch uit
kunnen putten. Ook dat is een werkelijkheid, al zal niet iedereen die
durven uitspreken. Voor mij was het na de dood van een lieve vriendin
troostender te weten dat Jezus huilde bij het graf van zijn vriend
Lazarus dan dat Hij de dood overwon. Ik voelde me door Hem begrepen in
mijn verdriet, hoewel dat mijn ontreddering niet gladstreek.`
(Uit: `Voordat de stoet vertrekt`, p.51)
Joden

Hieronder
vindt u een beschrijving van de belangrijkste gebruiken en rituelen bij
een joodse uitvaart. Vanzelfsprekend zijn (regionale) afwijkingen
mogelijk van de manier waarop hieronder een joodse uitvaart wordt
beschreven.
De joodse visie op leven en dood
Leven
en dood zijn geen twee aparte werelden, tenminste vanuit Gods visie.
Het jodendom benadrukt dat de wereld van het leven dat van de mens is.
Wat er na de dood komt laat men over aan de zorg van de Allerhoogste.
Aangezien de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis is de
menselijke opdracht dan ook in Zijn sporen te gaan. Het goddelijke in
de mens is de vrijheid van keuze tussen goed en kwaad. De vrije wil van
de mens en niet een goddelijk bestuurd lot bepaalt de inhoud van het
menselijk leven.
De joodse traditie spoort de mens aan menswaardig te leven, zoals God het voordeed (Imatio Dei)
Zoals Hij de naakten kleedt (Adam en Eva: Gen.3: 21), zul jij de
naakten kleden. De Heilige-Hij-Zij Geprezen bezocht de zieken (Abraham
na zijn besnijdenis: Gen.18: 1); zo zul jij de zieken bezoeken. De
Heilige-Hij-Zij-Geprezen troostte de rouwenden (Izaak na de dood van
zijn vader: Gen.25: 11), zo zul jij de rouwenden troosten. De
Heilige-Hij-Zij-Geprezen begroef de doden (Mozes: Deut.34:6), zo zul
jij de doden begraven.
Zo lang een mens ademt, leeft hij, is hij deel van het leven en behoort
hij toe aan deze wereld. Daarom is het bijvoorbeeld verboden de
begrafenis te regelen zolang de stervende nog leeft. Met name zaken als
een kist, doodsklederen of rouwkaart.
Volgens de joodse traditie is zelfs een stervend mens (gosees) in alle
opzichten een levende, met dezelfde rechten en plichten, ook in het uur
van zijn dood. Zo kan een gosees zelfs nog een echtscheidingsbrief
(get) aan zijn vrouw geven.
`Een beetje dood` of `een beetje levend` kent men niet in de Joodse
traditie. Zodra de dood is ingetreden bidt men dat de ziel van de
overledene gebundeld mag worden in de bundel van het leven. Vanuit Gods
visie leeft de rechtvaardige, ook al is hij gestorven.
Zoals men de plicht heeft zo menswaardig mogelijk te leven zo respectvol probeert men om te gaan met het sterven.
Het recht om te leven en om te sterven
Zoals
men het recht heeft om te leven en men hiervoor al het mogelijke moet
doen of laten, zo heeft de mens op een gegeven moment, aan het eind van
zijn leven, het recht om te mogen sterven. Dit klinkt heel natuurlijk
en logisch, maar is het tegenwoordig niet meer. Door de moderne
hoogontwikkelde medische wetenschap kunnen gelukkig veel mensenlevens
gered worden, maar soms is niet meer duidelijk wanneer het medisch
optreden vertraging van het sterven betekent of nog steeds
levensverlengend is. Het jodendom gaat echter voor de kwaliteit van
zowel het leven als ook het sterven.
Wanneer de term `stervende` (gosees) gebruikt wordt in de halacha
(joodse regelgeving) dan wordt gedoeld op iemand die zich op de drempel
van de dood bevindt en van wie vrijwel zeker is dat hij spoedig
overlijdt. Het gaat dus om een duidelijk afgebakende tijd (meestal 3
dagen) voor de laatste fase in het leven van een mens.
Euthanasie
Rabbi Meir vergeleek een stervende (gosees) met een flikkerend licht: op het moment dat men het aanraakt, maakt men het uit.
Het verbod een stervende aan te raken klinkt misschien heel wreed,
omdat juist stervenden behoefte hebben aan fysieke nabijheid. Maar de
traditie lijkt het hier op te nemen voor de kwetsbare partij, de
stervende in dit geval. Een stervende kan door het minst of geringste
overlijden. Net zoals bij het troosten het de rouwende is die mag
aangeven wanneer en hoeveel nabijheid hij of zij wil, zo is het in
principe ook aan de stervende aan te geven wat hij nodig heeft. Wanneer
de stervende duidelijk zelf aangeeft bepaalde behoeftes te hebben, wie
zal dit niet beantwoorden? Het enige wat men een stervende niet mag
geven is actieve hulp bij het sterven. Het moment van leven en sterven
zijn in de handen van de Hemel.
Het jodendom verbiedt euthanasie. Hulp in de vorm van een abstinerend
beleid (zoals het stopzetten van zinloze medische handelingen, en de
patiënt toestaan niet meer te eten en drinken zodat deze versterft)
lijkt toegestaan op het moment dat een mens stervende is. Zo mag een
houthakker die hout hakt in de buurt van een stervende gevraagd worden
te stoppen als dit lawaai het sterven belemmert. Ook mag men niet
altijd bidden om het in leven blijven van iemand die reeds stervende
is. En in bepaalde gevallen kan, volgens sommige autoriteiten, ook de
medische apparatuur die een stervende (gosees) belet te sterven,
weggehaald worden. Men moet er natuurlijk wel zeker van zijn dat de
patiënt een gosees is.
Het verbod op euthanasie wordt in de traditie aangeduid door
bijvoorbeeld het verbod om het kussen op te schudden, wat het sterven
actief zou bespoedigen. Aangezien vandaag de dag, mede onder invloed
van de verregaande wetenschap, vaak niet meer duidelijk is of men reeds
een gosees is (stervende) worden er soms "joodsonwaardige" beslissingen
genomen, buiten de desbetreffende patiënt en familie om. Vandaar
misschien dat hedendaagse joodse autoriteiten zich zo fel verzetten
tegen euthanasie, alsmede tegen het verhogen van de dosis
pijnbestrijding (meestal morfine) met als doel het overlijden van de
patiënt te versnellen.
Het sterven
Men
ervaart het als een voorrecht aanwezig te zijn bij het sterven. Wanneer
de toestand kritiek wordt en het moment van sterven dichterbij komt,
draagt de familie of een ander er zorg voor dat de stervende zijn
zonden belijdt in de vorm van een gebed (widdoej).
Als alles erop wijst dat het leven ten einde loopt zegt men de `joodse
geloofsbelijdenis`, Sjeimes genoemd: `Hoor Israël de Heer is onze God
de Heer is één`.
Men probeert het uitspreken van het woord `één` (echad) te laten
samenvallen met het moment van sterven omdat de eenwording van Gods
Naam in deze wereld de uiteindelijke bestemming is van deze schepping.
Ook martelaren gaven hun leven omwille van deze God, die exclusief
gediend wil worden.
Indien mogelijk zegt men eerst Jigdal (een verheerlijking en
lofprijzing van de levende God, die de doden zal doen herleven in de
volheid van Zijn genade) en het dagelijks uitgesproken of gezongen
gebed Adon Olam (`Heer der Wereld`) uit, waarin de mens zijn vertrouwen
toont in God, de levende Verlosser, in Wiens Hand de mens zijn ziel
legt bij het slapen, en zijn angst trotseert.
Het Sjeimes wordt herhaald tot de ziel is uitgegaan. Zodra de stervende
de laatste adem uitblaast reciteert men uit het Alenoegebed: `de
Eeuwige zal Koning zijn over de hele wereld - op die dag zal de Eeuwige
één zijn en Zijn Naam één`. En hierna: `Hoor Israël, de Eeuwige is onze
God, de Eeuwige is één`.
Na het overlijden wordt Ps. 91 uitgesproken.
Vroeger scheurde men zijn bovenkleed (keri`ah) direct na het
overlijden, `op het uur van de hitte`, als teken van verscheurdheid.
Tegenwoordig doet men dit vlak voor de begrafenis.
Zodra de dood is vastgesteld door een arts en men de ogen van de
overledene heeft gesloten wordt de Joodse Begrafenisonderneming (chewre
kadisja) zo snel mogelijk op de hoogte gesteld.
Men kijkt niet meer naar de overledene
`Degene
wiens dode vóór hem ligt` is ineens zijn levensoriëntatie kwijt. Het is
een zeer emotionele fase, omdat de overledene als het ware nog aanwezig
is. Uit respect voor de dode (kawod hameet) bedekt men zo spoedig
mogelijk het stoffelijk overschot om de overledene niet te beschamen.
De ziel is eruit gegaan, en de dode is niet meer die persoon, die hij
bij leven was. Wat rest is het stoffelijke deel van de mens. De mens is
volgens de Bijbel geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, met lichaam
en ziel. Deze eenheid valt met het overlijden weg, en daarmee ook het
Godgelijkende en tevens menselijke deel.
De traditie toomt hier de emotionele verlangens van de nabestaanden in,
vooral het verlangen het lijk te willen aanschouwen. Er is geen
condoleren, geen visueel afscheid.
De eerste dagen tussen overlijden en begrafenis
Op
het moment dat de ziel is uitgegaan, begint voor familie, vrienden en
bekenden een periode van verdriet, verslagenheid, wanhoop, pijn en
rouw, Aninoet genoemd. Een oude traditie overgeleverd in de
gezaghebbende Sjoelchan Aroech noemt de eerste dagen na het overlijden
`een tijd van huilen`.
Het is geen moment voor troost, laat staan voor beschouwingen over de zin van het verlies.
Zodra men, op wat voor manier dan ook, `hoort` dat een direct
familielid is overleden, wordt men in de halacha ( de joodse
regelgeving) een rouwende (oneen). Dit geldt voor de zeven soorten
verwanten genoemd in de Tora: vader, moeder, broer, zuster, zoon,
dochter of echtgenoot/echtgenote (Lev.21:2-3).
Aangezien de overledene zo snel mogelijk begraven wordt, het liefst nog
dezelfde dag en anders de volgende, duurt deze fase kort. De
nabestaanden houden zich eigenlijk uitsluitend bezig met de overledene
en het verdriet, en zijn vrijgesteld van hun religieuze verplichtingen.
Hoe kan men zich immers bezig houden met levensheiliging wanneer men
eigenlijk de dood op het netvlies heeft staan.
Mogelijk weerhoudt deze tijdelijke vrijstelling, juist van het
dagelijks bidden, de rouwenden ervan te vluchten in een religieus
gevoel. De dood vervreemdt de mens van God. En alleen temidden van de
levenden kan God geheiligd worden. Ook al is men zeer vroom, dan zal
men toch niet hieraan toe mogen geven, uit respect voor de dode.
Men heeft de gewoonte een speciale kaars aan te steken (neer nesjama),
de spiegels in het huis van de overledene te bedekken, zich te
onthouden van vlees en wijn en te waken bij de overledene.
De Joodse begrafenisonderneming: de Chevra Kadiesja
De
verplichting om de dode met alle respect te begraven rust in het
Jodendom in eerste instantie op de nabestaanden en vervolgens op de
gehele gemeenschap. Ook al is er een begrafenisonderneming, Chevre
Kaddiesja genoemd wat `heilige groep` betekent, dat ontslaat de
gemeenschap nog steeds niet van haar verplichting daadwerkelijk de dode
te begeleiden naar zijn laatste rustplaats. Deze onderneming bestaat
uit een groep vrijwilligers uit de gemeenschap die deze taak in liefde
en dus belangeloos doen.
De grootste (orthodoxe) begrafenisonderneming is het Joods
Begrafeniswezen, die in Amsterdam en omgeving de begrafenissen verzorgt
op de begraafplaatsen van de aschkenazische en de Portugese gemeente.
De meeste begrafenissen vinden plaats in Muiderberg en Ouderkerk aan de
Amstel.
De rituele reiniging en doodskleding
Het
lichaam wordt, het liefst vlak voor de begrafenis, door de leden van de
begrafenisonderneming ritueel gereinigd, (zonder gezien te worden) in
respectvolle stilte (tahara genoemd). Mannen worden alleen door mannen
gewassen en vrouwen uitsluitend door vrouwen. Traditioneel vindt de
reiniging plaats in een speciaal gebouwtje, het metaheerhuis, maar
tegenwoordig kan de tahara ook in een ander gebouw van de joodse
gemeente plaatsvinden.
Bij deze reiniging blijft het lichaam in lakens gehuld, terwijl er
kommen warm water over uitgegoten worden. De overledene wordt
vervolgens gekleed in een eenvoudig witkatoenen doodsgewaad of - als
het een man betreft – ook nog in zijn eigen gebedsmantel, waar de
gebedskwasten vanaf gehaald zijn. Familieleden zijn in principe niet
aanwezig bij de taharah, maar wanneer zij dit wensen wordt het hun
toegestaan ook enkele handelingen te verrichten, zoals het aantrekken
van een sok of het sluiten van de ogen, na het wassen.
De begrafenis
Als
het lichaam in de kist is gelegd, wordt er wat aarde van Israël over
het lichaam uitgestrooid of in een zakje onder het hoofd gelegd, als
teken van verbondenheid met het eigen land. De joden begraven hun
overledenen bij voorkeur zonder kist, maar vanwege de regels die tot
voor kort in Nederland golden, gebruiken ze een eenvoudige ruwe
vurenhouten kist zonder handvatten. De eenvoudige kist is voor iedereen
hetzelfde. In verband met het geloof in de lichamelijke wederopstanding
is cremeren voor joden verboden. Een joodse begrafenis moet zo snel
mogelijk, na de door de Nederlandse wet verplichte 36 uur,
plaatsvinden, tenzij het sabbat of een feestdag is.
Sinds de Tweede Wereldoorlog kiest een klein percentage van de liberale
joden voor crematie, vaak als teken van verbondenheid met de mensen die
in de holocaust verbrand zijn. Leden van de liberaal joodse gemeente
kunnen speciale wensen, die vaak samenhangen met het oorlogsverleden,
na een gesprek met de rabbijn in een codicil laten vastleggen.
Bij het begraven is respect voor de overledene het uitgangspunt. In
tegenstelling tot de Nederlandse cultuur, waar vaak rekening wordt
gehouden met wat de nabestaanden willen of emotioneel aankunnen, vindt
de joodse begrafenis zo snel mogelijk plaats. Zo snel dat rouwkaarten
versturen vaak geen zin heeft. Ook al kent men de overledene niet
persoonlijk, men gaat over het algemeen toch naar een begrafenis, omdat
het als een religieuze verplichting wordt gezien.
Na een rouwrede in de aula, waarin de overledene geprezen wordt en zijn
dood betreurd (hespeed genoemd), dragen of rijden familie en bekenden
de baar of de kist naar het graf dat kort voor de begrafenis gegraven
is. De familieleden, volgens de traditie de hoofdverantwoordelijken
voor de begrafenis, laten de kist zakken en scheppen als eersten wat
zand en gooien dit op de kist. Daarna wordt de schep teruggezet, en
niet aan elkaar doorgegeven, om niet de indruk te wekken dat er haast
bij is. Het scheppen, uitgevoerd door alle (bij orthodoxen mannelijke)
aanwezigen en gaat door tot het gehele graf gevuld is met aarde.
Bloemen zijn niet gebruikelijk maar niet verboden. In Nederland wordt
de rouwende familie direct na de begrafenis getroost door de
aanwezigen. Niet alleen woorden, maar ook een symbolische, doch echte
maaltijd (meestal een stuk brood met een ei) zijn een eerste schrille
stap terug in de werkelijkheid. Hierna gaat de directe familie naar het
rouwhuis voor de sjiwwe.
Pas troosten na de begrafenis
`Troost
uw vriend niet, zo lang zijn dode voor hem ligt` is een voorschrift uit
de joodse traditie die enorm veel wijsheid in zich bergt. Zo lang de
dode niet begraven is, zijn zowel de nabestaanden als de gemeenschap
bezig met `het respect voor de dode` en niet met `het respect voor de
levenden` of de troost voor de nabestaanden. Dit betekent dat ook de
gemeenschap verplicht is mee te helpen aan een zo snel mogelijke
begrafenis. Het troosten van de rouwenden is hier niet op zijn plaats,
aangezien de familie nog te veel in shock verkeert, en ontroostbaar is.
Dit gebeurt wel, en zeer intensief, zodra de begrafenis voorbij is,
gedurende de rouwweek, de sjiwwe.
De eerste week van rouw, de sjiwwe
Het
rouwhuis is vóór het vertrek naar de begraafplaats in orde gebracht om
een aantal mensen te herbergen tijdens die rouwweek. De
begrafenisonderneming zorgt voor de lage rouwstoeltjes, waar de
rouwenden in die week op zitten, en voor een dagelijks voldoende aantal
mannen die het avondgebed en ochtendgebed zeggen. Ook zorgt de
onderneming voor voldoende gebedenboeken en keppeltjes. Elke avond
komen tientallen mensen naar het rouwhuis om de rouwenden te troosten
met hun aanwezigheid, rond het gezamenlijk uitspreken van het
avondgebed. Zij troosten de familie met woorden en bieden haar de
zogenoemde `maaltijd van herstel` aan, bestaande uit een ei en wat
brood. Dit gebeurt tegenwoordig direct na de begrafenis. Deze materiele
vorm van troost brengt het leven weer onder de aandacht van de
rouwende, en toont de solidariteit van de gemeenschap.
Omdat de sjiwwe de meest intensieve fase van rouw is, biedt de traditie
de rouwenden een strikt kader van verboden en verplichtingen. De
verboden zijn vele, de verplichtingen miniem. Met de tijd worden de
eerste miniem en de laatsten weer maximaal. De rouwtijd voor ouders
beslaat een heel jaar, voor andere familieleden dertig dagen.
De rouwenden verblijven een week lang met elkaar in het rouwhuis en
werken niet. Meestal hoeft men ook niet te koken. Men houdt zich niet
bezig met die dingen die men normaliter in het dagelijkse leven wel
doet: luxueus baden, strijken, kleren wassen, seksuele omgang, trouwen,
naar feesten gaan et cetera. Elke dag staat de deur open om de
troostenden, die niet per se bekenden zijn, binnen te laten. De
rouwenden hoeven niet op te staan om een bezoeker te begroeten en het
initiatief om te praten ligt ook bij hen. Dit vergemakkelijkt een
bezoek aan het rouwhuis.
Door deze gang van zaken worden nabestaanden geholpen om het verlies in
fasen te verwerken en kunnen zij geleidelijk terugkeren naar het
dagelijkse leven met zijn verplichtingen in de gemeenschap. Het is een
eerste stap op weg naar herstel, waarin de gemeenschap de rouwende
voortdurend bijstaat.
Hoe verder?
Na
een week van intensieve rouw gaat men weer langzaam maar zeker over tot
de orde van de dag met een aantal uitzonderingen. Want de eerste dertig
dagen na de begrafenis worden als rouwperiode gezien. Men scheert zich
bijvoorbeeld nog steeds niet, gaat niet naar feesten toe en zegt
dagelijks het kaddisj gebed (traditioneel uitgelegd als een gebed voor
de overledene, maar eigenlijk een lofprijzing van God). De sociale
verplichtingen komen ook terug. Na het verlies van ouders rouwt men
twaalf maanden. In de rest van het eerste rouwjaar blijft er thuis een
lichtje branden voor de overledene en gaan de directe nabestaanden nog
niet naar feesten. Wel schenken zij geld voor liefdadige doelen.
Aan het eind van het rouwjaar, als afsluiting van deze fase in het
rouwproces, is meestal de steenzetting, waarbij de gemeenschap weer
aanwezig is. De grafstenen - matseewa`s genoemd - horen eenvoudig te
zijn en niet versierd. Meestal worden alleen de naam en de data van
geboorte en overlijden vermeld, en meestal ook de afkorting TNTsBH:
`Moge zijn ziel gebonden zijn in de bundel des levens`, dat wil zeggen:
`Moge de dode in de herinnering van de levenden voortleven`. Jaarlijks
op de joodse sterfdatum (Jahrzeit genoemd) zegt men het kaddisj gebed,
steekt een bijzondere kaars aan (neer nesjama) en gaat naar het graf.
Op een van de belangrijkste joodse feestdagen, Grote Verzoendag of
Jom-Kippoer, worden de doden herdacht in het Jizkor- of
herdenkingsgebed.
Samenvatting
In
de joodse traditie speelt de rouwverwerking van het individu zich af
binnen de gemeenschap. Staat tot de begrafenis het respect aan de dode
centraal, na het sluiten van het graf krijgen de nabestaanden alle
aandacht en worden ze door middel van vele rituelen de mogelijkheid
langzaam maar zeker hun verdriet te verwerken.
Drs. Sasja Martel
Goereesepad 105
1181 EP Amstelveen
Tel. 020-6479036
Email:
[email protected]
Moslims

Hieronder
vindt u een beschrijving van de belangrijkste gebruiken en rituelen bij
een moslim uitvaart. Vanzelfsprekend zijn (regionale) afwijkingen
mogelijk van de manier waarop hieronder een moslim uitvaart wordt
beschreven.
Begraven, niet cremeren
In
Nederland wonen vooral moslims van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en
Indonesische afkomst. Na een overlijden willen veel van deze mensen in
hun vaderland worden begraven, zodat ze verzekerd zijn van een uitvaart
volgens de islamitische voorschriften.
Een begrafenis in het land van herkomst is door de vliegkosten nogal
kostbaar, maar er zijn tegenwoordig uitvaartverzekeringen met speciale
buitenlandpolissen waarmee de kosten kunnen worden gedekt. Wanneer de
directe familie in West-Europa woont, worden moslims meestal in
Nederland begraven. Inmiddels zijn er in Nederland diverse islamitische
begraafplaatsen, vaak als onderdeel van een openbare begraafplaats.
Crematie is volgens de wederopstandingsgedachte van de islam niet toegestaan.
De Koran als voorbereiding op de dood
De
Koran geeft in vele verzen de onvermijdelijke gebeurtenis van het
sterven aan. Omdat moslims dagelijks de Koran in hun gebeden reciteren,
bereiden zij zich bewust of onbewust op het sterven voor. Het leven is
eenmalig en de stervende kan door gebed met zichzelf en met God in het
reine komen en zielerust vinden in het hiernamaals.
Op het sterfbed maken moslims soms nog hun testament op en laten ze hun
schulden voldoen. Moslims die bepaalde religieuze plichten niet hebben
kunnen vervullen, bestemmen op hun sterfbed vaak een deel van hun
bezittingen als schenking aan de armen. Als iemand sterft zonder
bezittingen, draagt de gemeenschap de kosten van de uitvaart.
Moslims beschouwen het als hun taak stervenden te verzorgen en
voorzover mogelijk op de rechterzij met het gezicht in de richting van
Mekka te leggen. Daarbij reciteren ze uit de Koran en helpen ze de
stervende bij het afleggen van een geloofsgetuigenis.
De rituele wassing
Na
het overlijden sluit een van de aanwezigen de ogen van de overledene en
bidt iedereen. Dan volgt de rituele wassing, soms thuis, maar meestal
in een uitvaartcentrum dat daarvoor een speciale ruimte heeft. Bij de
wassing is het lichaam met een lendendoek bedekt, omdat men de
geslachtsorganen niet mag zien. Mannen worden door mannen, vrouwen door
vrouwen verzorgd. Het lichaam wordt drie keer gewassen met water
waaraan geurige stoffen zijn toegevoegd. Vervolgens wordt het lichaam
in grote witte doeken zonder versiering gewikkeld en naar de moskee
overgebracht. Als een kist wordt gebruikt, is dat er bij voorkeur een
waarin de overledene op zijn rechterzij kan worden gelegd.
Moslims beschouwen het als hun plicht bij de overledene in de moskee
aanwezig te zijn. De imam, de moslim-voorganger, bidt bij het
opgebaarde lichaam het `Djanazah`-gebed, een smeekbede tot Allah.
De begrafenis, liefst in het land van herkomst
Om
de overgang naar het hiemamaals te bevorderen willen moslims een
overledene zo snel mogelijk en liefst zonder kist begraven. In
Nederland is het mogelijk ontheffing van de 36 uurs-termijn te vragen
als de dood door een arts is vastgesteld, maar meestal wacht men met de
begrafenis tot de termijn van 36 uur verstreken is.
Turken en Marokkanen begraven hun overledenen praktisch altijd in het
land van herkomst. De uitvaartverzorger regelt de documenten, het
vervoer naar Schiphol en de vlucht naar de plaats van bestemming. Als
een moslim in Nederland wordt begraven, brengen de mannen uit de
familie het lijk in een kist naar de islamitische begraafplaats. Dat
gebeurt meestal met een rouwauto. Volgens de traditie moeten zoveel
mogelijk mannen uit de moslimgemeenschap de baar of de kist op weg naar
het graf een stukje dragen, uit eerbetoon tegenover de overledene.
In orthodoxe kringen zijn vrouwen niet bij de begrafenis aanwezig.
Het gezicht richting Mekka
Bij
het graf aangekomen wordt het lichaam uit de kist getild en in een graf
met bekisting gelegd, bij voorkeur met het gezicht in de richting van
Mekka. Daama gooien de nabestaanden met de hand aarde in het graf onder
het uitspreken van een gebed over de hereniging met de aarde waaruit de
dode weer zal opstaan. Daarna vullen andere aanwezigen het graf.
Van de overblijvende aarde worden twee bulten of een heuveltje gemaakt.
Meestal worden wel stenen geplaatst om de plaats aan te duiden, maar
wordt het graf niet versierd. Bij moslims is het de gewoonte dat er
slechts een overledene in een graf komt te liggen en dat het graf niet
wordt geruimd.
De rouwperiode
Na
de begrafenis geldt een eerste rouwperiode van drie dagen, waarin de
nabestaanden worden gecondoleerd en eten krijgen van familie en buren.
Voor weduwen geldt na die drie dagen een rouwperiode van vier maanden
en tien dagen, waarin zij geen make-up of sieraden dragen. Vaak wordt
door de familie gedurende veertig dagen elke avond voor de overledene
gebeden. Na die veertig dagen wordt de rouwtijd voor de rest van de
familie afgesloten met gebeden waarin gevraagd wordt om de overledenen
op te nemen in `Djenna`, de hemel.
Deze gelegenheid heeft een feestelijk karakter; er wordt gegeten en de
nabestaanden zijn blij omdat zij geloven dat voor de overledene een
beter bestaan is ingegaan.
Voor moslims zijn graven geen plaatsen om voor de doden te bidden of
hen iets te vragen. Het is wel de gewoonte op willekeurige graven uit
de Koran te reciteren en een smeekbede te verrichten voor de zielerust
van alle overledenen.
Smeekbede tot Allah
`O
Allah! Vergeef onze levenden en onze doden, onze aanwezigen en onze
afwezigen, onze jeugd en onze ouderen, onze mannen en onze vrouwen.
0 Allah! Laat diegene van ons die U in leven laat, in de Islam leven en
diegene onder ons die U doet sterven, laat hem sterven in het geloof.
0 Allah! Onthoud ons zijn beloning niet en laat ons na hem niet in tweedracht vervallen.`
(Uit: `Afscheid nemen van onze doden, p. 112)
Hindoes

Hieronder
vindt u een beschrijving van de belangrijkste gebruiken en rituelen bij
een hindoeïstische uitvaart. Vanzelfsprekend zijn (regionale)
afwijkingen mogelijk van de manier waarop hieronder een hindoeïstische
uitvaart wordt beschreven.
Reïncarnatie of wedergeboorte
Het
hindoeisme bestaat uit verschillende tradities en overtuigingen, die
met elkaar gemeen hebben dat ze er van uitgaan dat de mens een
kringloop van `reïncarnaties`, wedergeboortes, doormaakt voordat hij
met `Brahm`, de oerenergie of de oerkracht, herenigd kan worden.
De meeste hindoes worden gecremeerd, omdat dat de snelste manier is om
de terugkeer van het lichaam naar de bron te laten plaatsvinden. Voor
de familie is cremeren daarom geruststellender dan begraven.
Er is geen officieel religieus gezag, maar de priesters vormen de
schakel tussen de individuele gelovige en de plechtigheden die bij
belangrijke gebeurtenissen in het leven moeten plaatsvinden.
De 16 sanskara`s
Tijdens
het leven zijn er zestien verschillende `sanskara`s`, sacramenten of
rituelen, die de overgang naar een andere levensfase markeren.Daarbij
worden offers gebracht aan de vele manifestaties van de oerenergie.
Een van de sanskara`s vindt plaats als iemand op sterven ligt. Dan
worden alle familieleden gewaarschuwd om bij het afscheidsritueel te
zijn. Een zoon of een andere man uit de familie giet een druppel water
uit de heilige rivier de Ganges in de mond van de stervende. Als er
geen water uit de Ganges beschikbaar is, wordt gewoon kraanwater
gebruikt.
Water symboliseert het leven, de vergankelijkheid en de oneindigheid.
Vervolgens legt de oudste zoon een blad van de heilige tulsie- of
basilicumboom in de mond van de stervende. Daarna sprenkelen de andere
familieleden ook water in de mond van de stervende.
Elke hindoe-familie heeft een speciale band met een priester, de
`pandit`. Hij leest de stervende voor en bidt met hem en zijn familie.
Als iemand al overleden is voordat het ritueel heeft kunnen plaatsvinden, wordt het alsnog uitgevoerd.
Water, vuur, ether, lucht en aarde
Hindoes
geloven in de twee-eenheid van lichaam en ziel. Na de dood verlaat de
ziel het lichaam om een ander stoffelijk omhulsel te vinden of om te
worden opgenomen in Brahm. Het verlaten lichaam moet zo snel mogelijk
terug naar de oerbron met de vijf elementen: water, vuur, ether, lucht
en aarde.
Het contact met het dode lichaam speelt daarom geen centrale rol bij de
rouwverwerking. Meestal wordt een dode meteen naar een uitvaartcentrum
overgebracht, waar de overledene wordt afgelegd en gewassen in
aanwezigheid van naaste familieleden. Een overleden man wordt
traditioneel in een speciale doek gewikkeld of -zoals tegenwoordig
vaker het geval is- gekleed in een pak; een vrouw krijgt een sari aan.
Ondertussen bidt de priester met de nabestaanden en alle aanwezige
vrienden en bekenden in de ontvangstzaal van het rouwcentrum. Daarbij
wordt een aardewerken schoteltje met ongezouten oftewel `klare` boter,
een zogeheten `dia`, aangestoken. Ook wordt in een koperen bokaal water
geschonken ten behoeve van de zielerust van de overledene.
Na het bezoek vertrekt men naar het huis van de overledene, waar
eveneens een dia wordt aangestoken en een bokaal met water wordt
neergezet, en wordt gebeden en voorgelezen uit de Ramayana.
Eerbetoon aan Brahm
Op
de dag van de crematie scheert een zoon of -als een zoon ontbreekt- een
andere man uit de familielijn van de man, zijn hoofdhaar af, omdat hij
bij de uitvaartplechtigheden als offeraar gaat optreden.
Andere mannen in de familie scheren zich dan voor het eerst na het overlijden weer.
In het rouwcentrum of het crematorium wordt een plechtigheid gehouden
waarbij de priester vijf eivormige balletjes, `pindhs`, maakt van
rijstmeel, honing, melk, klare boter, suiker en sesamzaad. Eten
symboliseert voor hindoes het leven en is een manifestatie van het
goddelijke; zonder eten kon de overledene niet hebben bestaan. Het
pindh-ritueel vormt een eerbetoon aan Brahm. Het aantal vijf staat voor
de vijf elementen en de eivorm symboliseert de twee-eenheid van lichaam
en ziel.
De balletjes worden in doeken gelegd en geofferd door ze in de kist te
leggen; een bij iedere hand, een bij het hoofd, een bij de buik en een
bij de voeten.
De nabestaanden leggen ook nog bloemen, geurige stoffen en rijstkorrels
in de kist en bidden en zingen daarbij. Vervolgens wordt de kist
gesloten, met een doek bedekt en naar het crematorium gebracht. Bij het
crematorium dragen de mannen uit de familie met de zoon of de zonen
voorop, de kist naar binnen. Volgens gebruik wordt onderweg vijf maal
gestopt om de baar even neer te zetten.
De crematie
In het crematorium wordt de kist geopend en versierd met kransen.
Na het zingen van religieuze liederen houdt de priester een preek. De
oudste zoon loopt vervolgens met een brandende dia vijf maal rond de
kist en raakt telkens een keer met de dia de mond van de overledene
aan. Dit is de zogenaamde `doodskus`, waarmee symbolisch het lichaam in
brand wordt gezet. Na het gezamenlijk uitspreken van een aantal gebeden
gaan de aanwezigen in de rij staan om afscheid van de overledene te
nemen en rijstkorrels of bloemblaadjes in de kist te leggen.
Omdat het voor de familie heel belangrijk is het lichaam van de
overledene te zien branden, kunnen, affhankelijk van de grootte van het
crematorium, vier tot tien directe nabestaanden mee naar de ovenruimte
om de verbranding mee te maken. De oudste zoon kan daarbij de kist in
de oven duwen om de verbranding in gang te zetten.
Omdat een hindoestaanse uitvaart langer duurt dan andere crematies,
wordt het meestal aan het eind van de dag gepland, zodat de mensen
tegen betaling extra tijd kunnen reserveren.
De verstrooiing van de as
Na
de crematie moet de as in principe worden toevertrouwd aan de
oneindigheid. De traditionele manier om dat te doen is het verstrooien
boven stromend water. Om praktische redenen wordt de as bijna altijd in
bewaring gegeven bij het crematorium totdat de as een eindbestemming
krijgt.
Als de vrij zeldzame en dure gelegenheid zich voordoet om de as boven
de Ganges te verstrooien zal de familie daar gebruik van maken. Ook
bestaat de mogelijkheid dat nabestaanden een vliegtuig of boot huren om
de as te verstrooien.
Hindoes hebben over het algemeen een pragmatische instelling en
daardoor wordt de as meestal door de familie verstrooid bij het
crematorium, in het besef dat de elementen van de as zo uiteindelijk
ook in het water naar de oneindigheld terechtkomen, zeker in Nederland.
De rouwperiode
Na
de crematie leeft de famille tien dagen heel sober en eet zij
vegetarisch. Elke dag wordt thuis een offerdienst gchouden, waarbij
tien rijstballetjes worden geofferd om voor de ziel van de overledene
een nieuw menselijk omhulsel af te smeken. Reïncarnatie kan namelijk
ook betekenen dat de ziel terugkomt in de lagere vorm van een dier.
De rijstballetjes worden op een hoopje zand gelegd dat Moeder Aarde
symboliseert. De oudste zoon brengt een vuuroffer in een speciale
ijzeren bak met geurige houtsoorten. Dit is ook in een crematorium
mogelijk. Op de tiende dag worden vegetarische gerechten gekookt die de
overledene lekker vond en wordt een bord met dat eten in de tuin of op
het balkon gezet voor de overledene.
Twaalf of dertien dagen na de crematie wordt een rouwplechtigheid
gchouden in het huis van de overledene, waarbij naast de hele familie
ook vrienden en bekenden aanwezig zijn. Onder leiding van een priester
worden speciale offers gebracht. De rouw wordt dan officieel opgeheven,
maar de directe nabestaanden mogen pas na een jaar weer feestelijke
gebeurtenissen zoals huwelijken organiseren.
Na zes maanden herhalen de nabestaanden de plechtigheid van de
dertiende dag en na een jaar wordt de rouwperiode afgesloten met een
ceremonie.
Bron "uitvaartverzekering en godsdienst": uitvaart.nl

Voor meer informatie over Zwitserlevenhypotheek adviseren wij u de site:
ziektekostenverzekering nodig? te bezoeken.